Analyse van ECLI:NL:GHARL:2026:3330 (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 mei 2026), met de eerste aanleg ECLI:NL:RBMNE:2025:3857 (Rechtbank Midden-Nederland, 25 juli 2025).
Bronnen
- Uitspraak gerechtshof: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3330
- Uitspraak eerste aanleg: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:3857
- WOO-verzoek inzake communicatie tussen POBV (het samenwerkingsverband) en de Onderwijsinspectie: https://open.overheid.nl/documenten/919c4a97-bd54-4113-b1f1-d5d6cd804246/file
Waarom er hoger beroep kwam: één geschil, twee uitkomsten
De zaak draait om een nu 14-jarige leerling die in het reguliere en speciale onderwijs geen passende plek vond. In groep 5 kreeg hij maandenlang geen onderwijs, in groep 7 en 8 vrijwel niets. Vanaf schooljaar 2023-2024 volgde hij onderwijs bij Maupertuus, een particuliere onderwijsinstelling (een B3-school in de zin van artikel 1, onderdeel b, sub 3 Leerplichtwet) die niet uit overheidsmiddelen wordt bekostigd. De constructie werd betaald via de Overeenkomst Onderwijs-Jeugd-Arbeidsarrangement (OJA), waarbij het Christelijk Lyceum Veenendaal (CLV) 95% van de basisbekostiging en het leermiddelenbudget beschikbaar stelde, het samenwerkingsverband (SWV / POBV) aanvulde tot het schoolgeld (€ 18.650 voor het onderwijsdeel) en het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) het zorgdeel (€ 9.326) droeg. Totale kosten 2024-2025: € 27.976. Grondslag: het Besluit experiment onderwijszorgarrangementen (Stb. 2022, 449), dat loopt van 1 januari 2023 tot 1 januari 2028.
In december 2024 meldde het SWV dat de tijdelijke regeling afliep en dat er met ingang van 2025-2026 een ander passend aanbod moest komen. De ouders waren het daarmee oneens en stapten naar de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter (25 juli 2025) hakte de zaak in tweeën:
-
Primaire vordering (nakoming / voortzetting van het arrangement): afgewezen. Voortzetting zou betekenen dat het SWV wordt veroordeeld om de kosten van een volledig uitbestede particuliere opleiding te blijven betalen, en dat is wettelijk niet toegestaan. Dat volgt uit de toelichting bij artikel 1 van het Besluit (particuliere scholen zijn uitgesloten; bekostiging mag niet worden overgeheveld naar particulier onderwijs) en uit het briefadvies van de Onderwijsraad van 8 november 2019 over het risico van uitholling van het publieke stelsel.
-
Subsidiaire vordering (voorschot op schadevergoeding): toegewezen — € 10.000. Hier vond de rechtbank wél een grondslag in onrechtmatig handelen. De toenmalige verantwoordelijke van het SWV verkeerde in de onjuiste veronderstelling dat de regeling tijdelijk particuliere bekostiging toestond; ter zitting erkende het SWV dat een fout is gemaakt en dat het dit arrangement nooit had mogen aanbieden. Omdat het SWV de constructie wél had opgezet, was het verantwoordelijk voor de ontstane situatie. Gecombineerd met het risico op hertraumatisering bij schoolwisseling — door de rechtbank voldoende onderbouwd geacht op basis van de overgelegde deskundigenrapportages, een GGD-bericht (4 april 2025) en een huisartsbericht (11 mei 2025) — en het zwaarwegende belang van het kind, moest het SWV (een deel van) de kosten vergoeden.
Hierdoor kwam beide partijen in beroep:
- het SWV in principaal hoger beroep tegen de toewijzing van het voorschot (en de proceskostenveroordeling);
- de ouders in incidenteel hoger beroep tegen de afwijzing van hun primaire nakomingsvordering.
CLV en Maupertuus, in eerste aanleg nog (mede)partij, waren in hoger beroep geen partij meer.
De paradox die het hoger beroep draagt
De kern van het hoger beroep is een juridische ommekeer rond één en hetzelfde feit: de onrechtmatige opzet van het arrangement.
- De voorzieningenrechter gebruikt de erkende fout ("we hadden dit nooit mogen aanbieden") als aansprakelijkheidsgrond: wie een verboden constructie opzet en daarmee een kind afhankelijk maakt, handelt onrechtmatig als hij die constructie weer beëindigt.
- Het hof draait dit precies om en gebruikt diezelfde onrechtmatigheid als rechtvaardiging: juist omdát de constructie in strijd was met de wettelijke/publiekrechtelijke regels, was beëindiging niet onrechtmatig maar geboden — temeer omdat er een termijn van zes maanden lag om een alternatief te vinden (r.o. 3.14).
Het hof beslist anders dan de voorzieningenrechter en wijst alle vorderingen van de ouders af.
De dragende overwegingen van het hof
Het hof stapelt zelfstandig dragende gronden, wat het arrest robuust maakt tegen cassatie.
1. Geen afdwingbare verbintenis uit de Overeenkomst OJA (3.8–3.10). Tekstgetrouwe uitleg: de overeenkomst geldt voor 2024-2025 en "garandeert niet vanzelfsprekend een inschrijving voor de daaropvolgende schooljaren". De vermelding "mogelijk tot 1-1-2028" verwijst naar de duur van de experimenteerregeling, niet naar een financieringstoezegging. De rest is "intentie", geen verbintenis. Ook redelijkheid en billijkheid leveren geen grondslag op.
2. De publiekrechtelijke onmogelijkheid (3.11) — structureel de belangrijkste overweging. De experimenteerregeling is niet bedoeld voor financiering van particulier onderwijs dat geheel is uitbesteed aan een particuliere instelling. Inkoop en inhuur van kennis en expertise mag (bijvoorbeeld een deskundige die op school een plusklas opzet, of inkoop van lesmateriaal), maar volledige uitbesteding niet. Nakoming zou dus in strijd zijn met dwingend publiekrecht en kan niet worden gevorderd.
3. Geen onrechtmatige beëindiging (3.14). Beëindiging was nodig omdat de constructie in strijd was met de regels, met een termijn van zes maanden voor een alternatief. Dus geen wanprestatie, geen onrechtmatige daad, geen schadevergoeding.
4. Het relativiteitsvereiste als breekijzer (3.18) — juridisch het elegantst. Zelfs aangenomen dat het SWV zijn wettelijke plicht tot een dekkend ondersteuningsaanbod (art. 2.47 lid 2 WVO 2020) schond, strandt de vordering op art. 6:163 BW: de geschonden norm strekt niet tot bescherming van de (particuliere, financiële) belangen van de ouders. Het hof hoeft de schending zelf dus niet eens vast te stellen.
5. IVRK geneutraliseerd (3.17). Het hof betrekt art. 3 lid 1 IVRK (belang van het kind = eerste overweging, met bijzonder gewicht), onder verwijzing naar HR 28 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1799, ontruiming met kinderen), maar concludeert dat het kindbelang hier niet tot toewijzing kan leiden. Lippendienst gevolgd door neutralisatie — verstandig, want anders wordt het IVRK een blanco toewijzingsgrond.
Vergelijking eerste aanleg versus hoger beroep
| Punt | Voorzieningenrechter (RBMNE:2025:3857) | Gerechtshof (GHARL:2026:3330) |
|---|---|---|
| Primaire vordering (nakoming/voortzetting) | Afgewezen — wettelijk niet toegestaan | Afgewezen — idem, plus geen afdwingbare verbintenis |
| Subsidiaire vordering (schadevergoeding) | Toegewezen — voorschot € 10.000 | Afgewezen — vonnis vernietigd |
| De erkende fout van het SWV | Aansprakelijkheidsgrond (onrechtmatig) | Rechtvaardiging van de beëindiging (niet onrechtmatig) |
| Hertraumatisering | Voldoende onderbouwd via partijrapportages, GGD, huisarts | Geen onafhankelijk deskundigenonderzoek; niet vast te stellen in kort geding |
| Art. 2.47 WVO (dekkend aanbod) | Niet als zelfstandige grond uitgewerkt | In het midden gelaten; faalt hoe dan ook op relativiteit (6:163 BW) |
| Belang van het kind / IVRK | Weegt het zwaarst, draagt de toewijzing | Betrokken, maar kan toewijzing niet dragen |
| Restitutierisico | Aanvaardbaar geacht | Keert zich tegen de ouders: terugbetaling € 10.000 |
| Proceskosten | SWV veroordeeld (€ 1.760,47) | Ouders veroordeeld in beide instanties |
Waarover de raadsheren uiteindelijk niets zeggen, en waarom niet
Het hof laat opvallend veel uitdrukkelijk in het midden. Dat is geen nalatigheid maar methode: telkens wordt een inhoudelijk oordeel vermeden via een procesrechtelijk of dogmatisch mechanisme.
| # | Onderwerp dat onbeslist blijft | Wat het hof bewust níét beslist | Reden die het hof geeft | Mechanisme |
|---|---|---|---|---|
| 1 | Passendheid alternatief aanbod (OPDC-arrangement SWV, J.H. Donnerschool) | Of dat aanbod werkelijk passend was | Inhoudelijke toetsing is voorbehouden aan de Geschillencommissie passend onderwijs (GPO); kort geding leent zich daar niet voor (3.15) | Verwijzing naar gespecialiseerde instantie + aard kort geding |
| 2 | Toezeggingen voormalig bestuurder SWV | Of een afdwingbare toezegging tot doorfinanciering tot 2028 is gedaan | Verklaring volstaat niet; vergt nader onderzoek en bewijslevering, geen plaats in kort geding (3.10) | Bewijsrechtelijke beperking kort geding |
| 3 | Hertraumatisering bij schoolwisseling | Of wisseling daadwerkelijk tot hertraumatisering leidt | Geen onafhankelijk deskundigenonderzoek voorhanden; partijopinies onvoldoende; geen deskundigenbenoeming in kort geding (3.16) | Geen deskundigenbericht in kort geding |
| 4 | Schending art. 2.47 lid 2 WVO (dekkend aanbod) | Of het SWV deze wettelijke plicht écht schond | Uitdrukkelijk "daargelaten": niet vaststelbaar én juridisch irrelevant, want de relativiteit (6:163 BW) ontbreekt hoe dan ook (3.18) | Relativiteits-shortcut |
| 5 | Rechtmatigheid verwijdering/uitschrijving bij CLV | Of de uitschrijving (4 dec 2025; bezwaar ongegrond 2 mrt 2026) terecht was | CLV is geen partij meer in hoger beroep; valt buiten de rechtsstrijd (3.1) | Partijgrenzen / omvang rechtsstrijd |
| 6 | De parallelzaak (200.358.731, andere ouders) | Geen woord over de uitkomst daarvan | Slechts rolvoeging voor gezamenlijke behandeling, geen inhoudelijke samenvoeging (1.2) | Rolvoeging is geen voeging |
| 7 | Definitief oordeel ten gronde | Geen enkele kwestie wordt definitief beslecht | Alles is "voorshands" / voorlopig oordeel; de bodemprocedure blijft open | Aard van het kort geding |
Rode draad in het zwijgen. Vier mechanismen verklaren waarom het hof telkens niet inhoudelijk oordeelt: (a) de aard van het kort geding — geen bewijslevering, geen deskundigen, slechts voorlopig oordeel (items 2, 3, 7); (b) competentieverdeling — de GPO is de aangewezen route voor passendheidsgeschillen (item 1); (c) het relativiteitsvereiste, waarmee het hof de kernvraag naar de zorgplichtschending kan ontwijken (item 4); (d) de grenzen van de rechtsstrijd en partijhoedanigheid (items 5, 6).
Het scherpst is item 4: het hof vermijdt het meest beladen feitelijke twistpunt — heeft het SWV zijn zorgplicht verzaakt? — niet door het te onderzoeken, maar door het irrelevant te verklaren. Processueel efficiënt en cassatiebestendig, maar de morele kernvraag van de zaak blijft daarmee onbeantwoord. Juist op dit punt is de communicatie tussen het samenwerkingsverband en de Onderwijsinspectie (zie het WOO-verzoek hierboven) potentieel relevant: de ouders baseerden hun verwijt over een niet-dekkend aanbod mede op Inspectierapporten uit 2023 en 2024.
Kritische observaties
- Sterk gemotiveerd, cassatiebestendig. Door de zelfstandig dragende gronden hoeft niet elke schakel te houden.
- De relativiteitsroute is het scherpst. Het hof omzeilt de inhoudelijke vraag of het SWV faalde in zijn zorgplicht door te zeggen: ook als het waar is, hebben de ouders er niets aan. Juridisch correct, maatschappelijk wrang.
- Harde restitutie. De ouders moeten € 10.000 terugbetalen plus alle proceskosten, na een traject waarin het kind jarenlang nauwelijks onderwijs kreeg. Het experiment hielp het kind aantoonbaar, maar het stelselbelang wint.
- Tegengestelde feitenwaardering rond hertraumatisering. Dezelfde stukken (deskundigenrapportages, GGD, huisarts) zijn voor de voorzieningenrechter voldoende bewijs en voor het hof "opinies van de door de ouders ingeschakelde deskundigen" zonder onafhankelijk onderzoek. Dat verschil — niet een nieuw feit, maar een andere bewijsdrempel — kantelt de uitkomst.
- Beleidssturing zichtbaar. Het arrest beschermt expliciet het publieke bekostigingsstelsel tegen weglek naar particulier onderwijs, in lijn met het Onderwijsraad-advies van 2019.
Precedentwaarde
Een van de eerste appeluitspraken over de grenzen van het Besluit experiment onderwijszorgarrangementen. De boodschap aan samenwerkingsverbanden: een onderwijszorgarrangement mag inkoop en inhuur van expertise bekostigen, maar geen volledige uitbesteding aan een particuliere instelling — die constructie is in strijd met de regeling en levert geen afdwingbare doorfinancieringsverplichting op. Voor ouders die langs civielrechtelijke weg particuliere bekostiging willen afdwingen, sluit de combinatie van (a) publiekrechtelijke strijdigheid en (b) het relativiteitsvereiste de deur vrijwel volledig. De bodemprocedure blijft formeel open, maar de drempel is na dit arrest hoog.
Zekerheidsgraad: de feitenweergave en juridische analyse zijn gebaseerd op de volledige tekst van beide uitspraken (geverifieerd). De inschatting van precedentwaarde en cassatiekansen is een onderbouwde aanname, niet getoetst aan latere rechtspraak.
Reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste.
Reageer