Het kabinet komt met een "radicale ingreep" in het onderwijs: eerst de taal op orde, dan pas het rekenen. Na jaren van tegenvallende resultaten en honderden miljoenen uit het Masterplan basisvaardigheden trekt staatssecretaris Judith Tielen (VVD) de conclusie dat taalonderwijs voorrang moet krijgen.

Ik geef rekenbijles in het basisonderwijs en help in het voortgezet onderwijs de basisvaardigheid rekenen te versterken. Vanuit die praktijk maak ik me ernstig zorgen. Niet omdat taal onbelangrijk zou zijn — natuurlijk niet — maar omdat hier een tegenstelling wordt gemaakt die er niet is.

Wat is er aangekondigd?

De aanleiding is reëel. Uit het meest recente PISA-onderzoek haalt een derde van de Nederlandse vijftienjarigen niet eens het basisniveau voor lezen — moeite met simpele teksten, tot de bijsluiter van een medicijn aan toe. Op het vmbo is het beeld nog somberder. Sinds het Masterplan Basisvaardigheden van 2022 ging er honderden miljoenen naar lees- en rekencoaches en herziene methodes, maar de resultaten bleven uit. Staatssecretaris Tielen erkent in een brief aan de Kamer dat de aanpak "niet het gewenste effect" had: "Na vier jaar hadden de resultaten echt beter moeten zijn."

Haar oplossing: taal op één. De aanpak van rekenen en burgerschap blijft bestaan, maar ondergeschikt. De redenering, letterlijk: als kinderen kunnen lezen en schrijven, komt de rest vanzelf. Taalonderwijs moet onderdeel worden van élk vak — ook de docent aardrijkskunde of geschiedenis wordt medeverantwoordelijk voor de taalontwikkeling — met extra geld voor schoolbibliotheken, leesonderwijs steviger verankerd in de lerarenopleiding, en meer aandacht voor de voorschoolse en thuisomgeving, omdat de achterstanden daar al beginnen.

En precies die ene zin — "komt de rest vanzelf" — is waar het wat mij betreft misgaat. Hij suggereert dat je rekenen even kunt parkeren tot de taal op orde is. Maar een kind dat in groep 5 zijn tafels niet automatiseert, haalt die achterstand in groep 7 niet zomaar in. Rekenen is geen vak dat je later wel even inhaalt — het is een opbouw waarin elke gemiste stap de volgende stap blokkeert. De tandpasta is dan, om met Ton van Haperen te spreken, uit de tube.

De vakwereld reageert

Wat me opvalt: in de reacties van mensen die hier verstand van hebben, hoor ik nauwelijks instemming. Wel veel cynisme.

Lerarenopleider Ton van Haperen, al jaren een scherpe stem in het onderwijsdebat, legt de vinger op de zere plek. Het gaat helemaal niet om taal of rekenen:

Dat is precies de kern. Het echte probleem is niet dat we de verkeerde basisvaardigheid vooropstellen, maar dat het leren op school als geheel onder druk staat. Een kind dat niet goed leert lezen, leert ook niet goed rekenen, en omgekeerd. Je lost dat niet op door een vak naar achteren te schuiven.

In een tweede reactie wijst Van Haperen op het diepere ongemak: de staatssecretaris lijkt geen idee te hebben hoe het zover heeft kunnen komen, laat staan hoe het opgelost moet worden.

Onderwijspsycholoog Paul Kirschner wijst er fijntjes op dat we eigenlijk best weten wat werkt — alleen wordt evidentie in onderwijsland nog te vaak weggezet als "ook maar een mening":

Onderwijswetenschapper Casper Hulshof vat de aankondiging samen als beleid dat vooral daadkracht uitstraalt zonder iets op te lossen:

En Gerard Verhoef windt er — met de nodige galgenhumor — geen doekjes om:

De scherpste analyse: dit is geen evidence

De meest complete kritiek komt van onderwijskundige Barend Last. Hij legt precies bloot waarom dit beleid wringt: het beroept zich op "evidence-informed werken" en past dat principe vervolgens zelf niet toe.

Last raakt iets wat ik als rekendocent dagelijks zie: taal en rekenen groeien parallel, niet na elkaar. Een rekenopgave is óók een taalopgave — een kind dat de som niet begrijpt, struikelt net zo vaak over de zin als over het getal. Die twee uit elkaar trekken en in een volgorde zetten, is geen didactiek. Het is een politieke ordening die zich voordoet als wetenschap.

Waarom dit me zorgen baart

Drie dingen.

Ten eerste: de valse tegenstelling. Taal en rekenen concurreren niet om de eerste plaats. Een leerling heeft beide nodig, tegelijk, in samenhang. Wie rekenen tot "fase twee" verklaart, accepteert dat een hele lichting kinderen met een rekenachterstand het voortgezet onderwijs in gaat. Die rekening komt later, en is dan veel duurder.

Ten tweede: de ontbrekende analyse. Honderden miljoenen erin, resultaten omlaag. Dat is geen geld-probleem, dat is een vraag naar waarom. Voordat je prioriteert, moet je begrijpen wat er misgaat: lerarentekort, versnipperde methodes, te weinig directe instructie, te veel "zelf ontdekken". Een prioriteit stellen zonder die analyse is geen daadkracht, het is een keuze uit verlegenheid.

Ten derde: het signaal. Tegen elke rekendocent, elke rekencoach, elke ouder die thuis tafels oefent, zegt dit beleid: jullie vak komt even later. Dat is een demotiverend signaal in een vakgebied dat het toch al zwaar heeft.

Ik ben de laatste die zal beweren dat goed leesonderwijs niet urgent is. Het ís urgent. Maar je versterkt het ene niet door het andere los te laten. De basisvaardigheden zijn een fundament — en aan een fundament metsel je niet de helft eerst.