In het late voorjaar van 2026 laaide de discussie over thuisonderwijs in Nederland weer hoog op. Een BOOS-uitzending van Tim Hofman, een arrest van de Hoge Raad van 21 april, een nieuwe richtlijn van leerplichtambtenarenvereniging Ingrado, het voornemen van het Openbaar Ministerie om ouders weer te vervolgen, en het besluit van Den Haag om 102 vrijstellingen te schrappen: het kwam allemaal samen. Staatssecretaris Tielen liet weten artikel 5b van de Leerplichtwet het liefst te willen schrappen.
Ik verzamelde 36 bronnen rond deze discussie — 23 LinkedIn-posts van betrokkenen en 13 nieuws-, opinie- en blogstukken — en analyseerde wie er aan het woord komen, wat ze zeggen en hoe de standpunten zich tot elkaar verhouden. Dus geen representatieve steekproef, maar een momentopname van het publieke debat zoals het zich op LinkedIn en in de opiniepagina's afspeelde.
De twee getallen die door elkaar lopen
De kern van de verwarring zit in twee groepen kinderen die in het debat voortdurend op één hoop belanden:
- ~2.800 kinderen met een vrijstelling op grond van artikel 5b (geloof of levensovertuiging) — formeel "thuisonderwijs". Dit getal groeide van enkele honderden rond 2015 naar circa 2.475 in 2023/24.
- ~70.000 thuiszitters — kinderen die thuiszitten omdat het reguliere onderwijs geen passende plek biedt. Dit getal wordt door veel deelnemers genoemd, maar is omstreden: de Kinderombudsman stelt dat er geen formele definitie van "thuiszitter" bestaat en dat onduidelijk is hoeveel kinderen werkelijk zonder onderwijs thuiszitten.
Bijna elke verdediger van thuisonderwijs wijst op dit onderscheid. Zoals Josien van Putten (vicevoorzitter NVvTO) het stelt:
"Het debat gaat opvallend vaak over ongeveer 2.800 kinderen die thuisonderwijs krijgen. Terwijl er tienduizenden kinderen thuiszitten omdat het onderwijs voor hen niet passend is."

De meest gebruikte woorden in de 35 bronnen. "Recht", "vrijstelling", "wet", "passend", "toezicht" en "leerplicht" vormen het hart van de discussie.
Vier kampen
Uit de analyse komen vier herkenbare posities naar voren. Ze sluiten elkaar niet altijd uit — sommige stemmen schurken tegen twee kampen aan — maar als ordening helpt het.

Positionering van de belangrijkste stemmen. Horizontaal: van "recht op onderwijs eerst / handhaving" (links) naar "onderwijsvrijheid / thuisonderwijs verdedigen" (rechts). Bubbelgrootte: aantal reacties op de LinkedIn-post (een ruwe maat voor bereik). De positionering is mijn interpretatie op basis van de teksten.
1. Recht op onderwijs eerst — handhaving (rood)
Deze stemmen zetten het recht van het kind op onderwijs voorop en steunen strengere handhaving. Tim Hofman zette met BOOS de toon ("kinderrechten worden geschonden met 'thuisonderwijs'") en haalde met drie posts veruit de meeste reacties op. D66-Kamerlid Ilana Rooderkerk verwelkomde de richtlijn: "Goed nieuws: de 2800 kinderen die buiten beeld waren, moeten weer naar school." Kinderrechtenexpert Stans Goudsmit vatte het principieel samen:
"Niet het recht op thuisonderwijs maar het recht op onderwijs moet in de wet! Het recht op thuisonderwijs dient de belangen van ouders. Het recht op onderwijs dient die van kinderen."
De scherpste uitspraak kwam van PRO-Kamerlid Marjolein Moorman, die thuisonderwijs "een vorm van kindermishandeling" noemde — een kwalificatie die veel reacties losmaakte. In dit kamp horen ook de Kinderombudsman (zorgen over ontbrekend toezicht), de gemeenten Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Groningen, en Ingrado.
2. Onderwijsvrijheid — thuisonderwijs verdedigen (blauw)
Hier staat de vrijheid van onderwijs en het ouderrecht centraal, juridisch verankerd in artikel 23 van de Grondwet en het EVRM. De NVvTO reageerde fel op de kindermishandeling-uitspraak ("Dat is onacceptabel") en benadrukte dat zij "al jarenlang juist pleit voor een zorgvuldige wettelijke regeling mét passend toezicht". Josien van Putten bracht een rechtsstaat-argument in:
"Sinds wanneer kunnen gemeenten besluiten dat een landelijke wet plaatselijk niet meer geldt?"
In de opiniepagina's verdedigden onderwijsjurist Laurens Peeters ("vrijheid van onderwijs is niet alleen een recht van ouders, maar ook een belang van het kind: onderwijs moet kunnen landen") en Erna Stelma-de Jong ("Thuisonderwijzers hebben de wet aan hun kant") deze positie. Oud-wethouder Ronald Zoutendijk wees op de juridische techniek: de 5b-vrijstelling ontstaat van rechtswege, niet op verzoek.
Het scherpste juridische geluid komt van het blog Leren met je Hart, waar de juristen M. de Vos en H. Von Wertheimstein betogen dat gemeenten "een overtreding fabriceren die bestuursrechtelijk niet bestaat". De vrijstelling, stellen zij, ontstaat van rechtswege — "je bent vrijgesteld zolang…", niet "je kunt worden vrijgesteld" — en het Hoge Raad-arrest (ECLI:NL:HR:2026:658) mist rechtskracht zonder voorafgaande wetswijziging:
"De Hoge Raad mag een wet verduidelijken. Maar hij mag hem niet maken. Dat is in strijd met de scheiding der machten."
Hun principe — nulla poena sine lege, geen straf zonder wet (art. 16 Grondwet, art. 1 Sr) — illustreren ze met een verkeersovertreding-analogie en zelfs een verwijzing naar Neurenberg om de absurditeit van strafvervolging met terugwerkende kracht te onderstrepen.
3. Systeemcritici — het kind centraal (groen)
Een derde groep verlegt de vraag van "moet dit kind naar school?" naar "wat heeft dit kind nodig?". Jurgen Hildering:
"Misschien zouden we niet moeten beginnen bij de vraag 'Moet dit kind naar school?' maar bij 'Welk onderwijs helpt dit kind om zo volledig mogelijk mens te worden?'"
Zorgethicus Antoinette Smit legde de vinger op een pijnlijke asymmetrie:
"Er zitten zo'n 70.000 leerplichtige kinderen thuis, niet omdat hun ouders een beroep doen op geloofsvrijstelling, maar omdat schoolbesturen hun zorgplicht niet nakomen. En voor dat falen bestaat geen strafbepaling."
De Sociaal Architect vatte de bezwaren tegen het "iedereen moet passen"-denken samen met "niet ieder kind kan een sardientje zijn", en het Kenniscentrum voor Makkelijk Lerenden wees erop dat naar schatting een derde van de thuiszitters hoogbegaafd is. Sam De Geus verwoordde de frustratie over het frame: "Er zijn hele groepen mensen die thuisonderwijs zien als thuiszitten. Doorgaans is dat de groep die je het hardste hoort en die zich het minst heeft verdiept."
4. Duiders en juristen (grijs)
Ten slotte een groep die vooral nuanceert. Leraar Barend Last waarschuwde dat "we snel in karikaturen vervallen" — zowel het BOOS-beeld van sekteleiders als het lobbybeeld van overal florerende kinderen klopt niet helemaal. Nieuwsuur-journalist Flip Linssen zocht naar een middenweg "zonder het strafrecht erbij te betrekken". En hoogleraar onderwijsrecht Renée van Schoonhoven noemde de Haagse aanpak juridisch "risicovol": een leerplichtambtenaar kan ouders niet dwingen, dat is aan het OM, dat de vervolgingsbasis zelf "wankel" noemde.
De breuklijnen
Onder de vier kampen liggen een paar terugkerende tegenstellingen:
- Recht op onderwijs (kind) versus vrijheid van onderwijs (ouders). Dit is de meest principiële as — Goudsmit tegenover Stelma-de Jong. Beide beroepen zich op "het belang van het kind", maar trekken er tegengestelde conclusies uit.
- Welke groep is het echte probleem? De ~2.800 vrijgestelden of de ~70.000 thuiszitters door falend passend onderwijs? Wie het over de eerste groep heeft, ziet misbruik; wie het over de tweede groep heeft, ziet systeemfalen.
- Handhaving versus regulering-met-toezicht. Opvallend: vrijwel niemand is tegen toezicht. Zelfs de NVvTO pleit ervoor. Het verschil zit in de route — afschaffen (zoals Tielen wil) of erkennen en reguleren, naar Belgisch of Vlaams model.
- De rechtsstaat-vraag. Mogen gemeenten een landelijke wet feitelijk buiten werking stellen, en mag de Hoge Raad de norm aanscherpen zonder wetswijziging? Verdedigers zien hierin willekeur en zelfs strijd met de scheiding der machten (nulla poena sine lege); hoogleraar Van Schoonhoven bevestigt dat de uitvoering "arbitrair" is en per gemeente verschilt. Dit is de breuklijn waar het debat het verst van het kind af komt te staan en het meest over staatsmacht gaat.
Wat opvalt
- Het luidst is niet het grootst. De stemmen met het meeste bereik (Hofman, Rooderkerk, Smit) komen uit verschillende kampen — het debat is geen echokamer van één kant.
- "Toezicht" is geen splijtzwam, maar de uitvoering wel. De inhoudelijke onenigheid gaat minder over óf er toezicht moet komen dan over hoe en door wie.
- De cijfers zijn zelf inzet van het debat. Het getal van 70.000 thuiszitters wordt veel geciteerd maar is niet officieel gedefinieerd. Wie het noemt, verschuift de aandacht van geloofsvrijstelling naar systeemfalen — en dat is precies het strijdpunt.
Verantwoording
Deze analyse is gebaseerd op 36 bronnen die in mei–juni 2026 zijn verzameld: 23 LinkedIn-posts van betrokkenen (ouders, politici, juristen, journalisten, onderwijsmensen) en 13 nieuws-, opinie- en blogstukken, onder meer uit het Reformatorisch Dagblad, het AOb Onderwijsblad, het blog Leren met je Hart en van de Kinderombudsman. De selectie is niet representatief en niet wetenschappelijk samengesteld; het is een momentopname van een specifiek deel van het publieke debat. De positionering van stemmen in de kaart is interpretatief. Bubbelgroottes zijn gebaseerd op het aantal LinkedIn-reacties, een ruwe indicator van bereik, niet van gelijk hebben. Citaten zijn letterlijk overgenomen uit de bronnen; enkele krantenteksten waren alleen als samenvatting beschikbaar.
Reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste.
Reageer