Lijngrafiek van de Nederlandse PISA-scores 2003-2025: lezen daalt naar 441, wiskunde en natuurwetenschappen vlakken af

Een analyse van Johan van den Brink en Claude Opus, op basis van de OESO-bijlagetabellen bij PISA 2025, eigen CBS-query's, twintig nationale PISA-rapporten en Nederlandse beleidsbronnen. Alle cijfers zijn zelf uit de bron gehaald; per claim staat de zekerheidsgraad erbij.

In het kort

  • De daling is leesspecifiek. Lezen zakte van 503 (2015) naar 441, twee keer zo hard als het OESO-gemiddelde. Wiskunde en natuurwetenschappen daalden mee tot 2022 en stabiliseerden daarna; lezen niet.
  • Het vmbo verloor het dubbele, maar niemand ontsnapte. De vmbo-leerwegen zakten sinds 2006 ruim honderd punten, het vwo achtenveertig. Sinds 2022 draait dat om: dan daalt de bovenkant het snelst, en van elke tien toplezers zijn er zes verdwenen.
  • Vier verdachten vallen af. Geld (negentien landen: uitgavengroei hangt niet samen met de leestrend, r = 0,30 per leerling en 0,22 op totale uitgaven), migratie (de daling van 55 punten zit bij leerlingen zónder migratieachtergrond, en die scoren ook zonder migranten in het gemiddelde lager dan tien andere Europese stelsels), vroege selectie (een constante sinds 1968) en corona (de daling begon in 2015).
  • De daling ontstaat tussen tien en vijftien jaar. Dezelfde geboortecohorten waren op hun tiende nog vlak en verloren op hun vijftiende zeventig punten. Pas vanaf het cohort van 2008 daalt ook het basisonderwijs.
  • Nederland zakte op élk soort opgave even hard, korte teksten net zo goed als lange, plus een fors verlies aan leesvloeiendheid. Dat past bij minder leeskilometers en minder volgehouden aandacht, niet bij het wegvallen van één soort onderwijs.
  • Er is geen buitenlands recept. De drie structuurkenmerken die de stabiele landen leken te delen, sneuvelen op Portugal, Duitsland en Canada. Engeland is het enige westerse land zonder daling — n = 1, met een scheve steekproef.

Op 8 september 2026 publiceerde de OESO de resultaten van PISA 2025. Nederlandse 15-jarigen scoren 441 op lezen. In 2015 was dat 503. Binnen een dag lag er een dossier aan verklaringen op straat: te weinig geld, te veel migratie, te vroege selectie, te veel schermen, corona, het lerarentekort, de zesjescultuur.

Bijna al die verklaringen zijn te toetsen. Niet met een experiment — PISA is een dwarsdoorsnede en geen proef — maar wel tegen het feitenpatroon. Een oorzaak die de daling verklaart, moet ook verklaren waarom de daling er precies zo uitziet als hij eruitziet: leesspecifiek, over de hele verdeling, versnellend na 2015, en twee keer zo hard als in de rest van de OESO.

Dat is wat dit stuk doet. Wat er na die toets overblijft, is een generatie die veel minder lang en aandachtig leest, in een stelsel dat als enige in de OESO geen enkele bodem legt onder de tijd voor taal — en dat het lezen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs vrijwel volledig loslaat. Maar ook die conclusie heeft een gat, en dat gat laat ik zien: in paragraaf 4 haal ik mijn eigen verklaring onderuit met een falsificatietoets.

Opmerking

Dit is de publieke samenvatting van een langere analyse. De volledige versie met alle tabellen, tegenwerpingen en bronvermeldingen per claim staat in mijn kennisbank. Waar ik hieronder "Geverifieerd" schrijf, heb ik de tabel of het rapport zelf gelezen; "Hoge zekerheid" betekent meerdere bronnen maar niet zelf herrekend; "Aanname" is mijn eigen weging.

1 · Wat er precies verklaard moet worden

De daling is leesspecifiek

Nederland verloor sinds 2015 tweeënzestig punten op lezen, negenentwintig op wiskunde en vijfentwintig op natuurwetenschappen. Het OESO-gemiddelde verloor in dezelfde tien jaar zevenentwintig punten op lezen. Nederland daalde dus twee keer zo hard, en alleen bij lezen loopt de daling nog door.

PISA 2003 2006 2009 2012 2015 2018 2022 2025 2015–2025
Lezen 513 507 508 511 503 485 459 441 −62
Wiskunde 538 531 526 523 512 519 493 483 −29
Natuurwetenschappen 525 522 522 509 503 488 485 −25

Geverifieerd (OESO, tabellen I.B1.2a.36–38).

Dit is het eerste filter, en het is een streng filter. Elke verklaring die alle vakken gelijk zou treffen valt hier af: toetsmotivatie, steekproefproblemen, corona, de samenstelling van de leerlingpopulatie. Het zijn immers dezelfde leerlingen, op dezelfde ochtend, in dezelfde toets. Wiskunde daalde tussen 2022 en 2025 niet significant door; lezen wel, met achttien punten.

De hele verdeling zakt

Lijngrafiek van de Nederlandse leesscores per percentiel 2003-2025; alle percentielen dalen, p10 het hardst

Leesscore per percentiel, Nederland

Percentiel 2003 2012 2015 2018 2022 2025 2015–2025 2022–2025
p10 400 386 368 344 304 290 −78 −15
p25 454 451 434 410 371 359 −76 −12
p50 517 519 509 486 462 446 −62 −16
p75 576 579 577 562 548 525 −52 −23
p90 621 625 630 621 608 585 −45 −23

Geverifieerd (OESO, tabel I.B1.2a.40). Het OESO-gemiddelde verloor over dezelfde tien jaar tussen 21 (p90) en 28 punten (p10).

Twee dingen springen eruit. De spreiding groeide van 221 naar 295 punten: Nederland ging van een van de meest homogene naar een van de meest gespreide stelsels. En in de laatste cyclus keert het patroon om. Tot 2022 zakte vooral de onderkant; tussen 2022 en 2025 daalden p75 en p90 harder (−23) dan p10 en p25 (−12 tot −15).

De gangbare samenvatting "de bodem zakt, de top houdt stand" was tot 2022 waar en is nu onwaar.

Het vmbo verloor het dubbele van het vwo, en niemand ontsnapte

Datzelfde beeld zie je terug als je de leerlingen naar opleidingstype uitsplitst. Dit is de figuur die het meeste zegt over de vraag of dit een probleem van "de onderkant" is.

Lijngrafiek van de leesscore per opleidingstype 2006-2025: alle typen dalen, de vmbo-leerwegen het hardst
Type 2006 2009 2012 2015 2018 2022 2025 sinds 2006
vwo 601 608 598 605 594 569 553 −48
havo 556 556 547 552 528 511 488 −68
vmbo gl/tl 505 495 487 484 458 416 401 −104
vmbo kb 456 447 435 429 406 363 349 −107
vmbo bb 405 407 401 388 376 324 317 −88

Bron: nationaal rapport PISA-2025 (UT/EN/KBA), figuur 5.4. Praktijkonderwijs is weggelaten: kleine steekproef en sprongen tussen metingen die niet plausibel zijn.

Het eerste dat opvalt is de scheefheid. De vmbo-leerwegen verloren sinds 2006 twee keer zoveel als het vwo: gl/tl honderdvier punten, kb honderdzeven, bb achtentachtig, tegen achtenveertig voor het vwo. In absolute termen is dit dus wel degelijk vooral een probleem van de onderkant, en het is de reden dat de referentieniveaus in het vmbo instorten — bij vmbo bb en kb zakte het aandeel dat 2F haalt van 26% (2021) naar 15% (2025).

Het tweede is dat niemand ontsnapt. Ook het vwo — de meest homogene, meest geselecteerde en best bemande groep die het stelsel kent — verloor achtenveertig punten. Een verklaring die alleen over kansarme leerlingen op gesegregeerde scholen gaat, dekt die lijn niet.

En het derde is dat het beeld in de laatste cyclus omdraait. Tussen 2022 en 2025 was de daling significant bij vwo (−16), havo (−23) en vmbo gl/tl (−15), en juist níét bij vmbo kb (−14) en bb (−7). Wat twintig jaar lang vooral de onderkant trof, trekt nu door naar boven. Dat is hetzelfde patroon als bij de percentielen hierboven, en het is het patroon dat het huidige beleid — gericht op leerlingen onder het basisniveau — niet ziet aankomen.

De top verdwijnt, en niet alleen in Nederland

Dumbbellgrafiek van het aandeel toplezers per land in 2015 en 2025; Nederland zakt van 10,9 naar 4,2 procent

In 2015 haalde 10,9% van de Nederlandse 15-jarigen leesniveau 5 of hoger, ruim boven het OESO-gemiddelde van 8,1%. Nu is dat 4,2%, tegen een OESO-gemiddelde van 5,8%. Zes van elke tien toplezers zijn weg.

Het interessante zit in de vergelijking. Dezelfde halvering deed zich voor in Finland (13,7 → 6,1), Noorwegen (12,2 → 5,0), Frankrijk (12,5 → 4,5) en Vlaanderen (12,5 → 5,6) — precies de landen die ook hard daalden. En in de landen die stabiel bleven, bleef de top intact of groeide hij: Japan 10,8 → 11,2, Australië 11,0 → 11,2, Singapore 18,4 → 21,9 (Geverifieerd, tabel I.B1.2a.34).

Het aandeel Nederlandse leerlingen ónder niveau 2 steeg intussen van 11,5% (2003) naar 38,5%. Dat is niet hetzelfde als "kan niet lezen" — daarover verderop meer — maar het is wel de groep die moeite heeft met langere teksten en met het combineren van meerdere bronnen.

2 · Wat het niet is

Vier verklaringen domineerden het debat van 8 september. Geen van vier houdt stand.

Geld

Nederland behoort tot de vijf duurste onderwijsstelsels van de OESO: 15.254 dollar (koopkrachtgecorrigeerd) per leerling van primair tot en met post-secundair onderwijs, tegen 13.063 in het Verenigd Koninkrijk, 12.562 in Ierland, 10.993 in Japan, 10.303 in Estland en 8.927 in Polen. Cumulatief geeft Nederland tussen het zesde en het vijftiende levensjaar 119.600 dollar per leerling uit — ruim boven de 75.000 waarboven de OESO geen samenhang meer vindt tussen uitgaven en prestaties.

De uitgaven daalden ook niet in het decennium van de daling. Reëel per vo-deelnemer, in prijzen van 2025: 14.650 euro in 2010, 14.080 in 2015, 15.000 in 2019, 15.800 in 2024 (Geverifieerd, eigen CBS-query 80393ned). Als aandeel van de overheidsuitgaven bleef onderwijs stabiel op ruim elf procent, terwijl dat aandeel OESO-breed daalde.

Daar komt bij dat de extra miljarden die er wél kwamen niets aantoonbaars hebben opgeleverd: het Nationaal Programma Onderwijs (8,5 miljard) en het Masterplan basisvaardigheden (circa 1 miljard per jaar). Het CPB vond in december 2025 geen effect van de subsidie basisvaardigheden op doorstroomtoets, leerlingvolgsysteem of zittenblijven. De Algemene Rekenkamer stelde vast dat de doelen niet meetbaar zijn en de verantwoording op zelfrapportage rust. Ondertussen hebben schoolbesturen acht miljard aan reserves staan, waarvan 1,4 miljard "mogelijk bovenmatig".

Maar een niveauvergelijking is niet de goede toets. "Nederland is duur" zegt weinig; de vraag is of de landen die daalden hebben bezuinigd en de landen die standhielden hebben geïnvesteerd. Daarvoor heb je tijdreeksen nodig, en die staan niet in de PISA-bijlagen. Ik heb ze daarom apart opgehaald uit de OESO-databank: reële uitgaven per voltijdleerling, primair tot en met niet-tertiair, alle geldbronnen, in constante prijzen.

Spreidingsdiagram van negentien landen: de reële uitgavengroei per leerling hangt niet samen met de verandering in leesscore; Nederland gaf 17 procent meer uit en daalde 62 punten
Land Per leerling Aantal leerlingen Totale uitgaven Lezen 2015–2025
Korea +43% −14% +22% −17
Ierland +42% +8% +54% −20
Polen +25% +3% +29% −24
Spanje +18% +3% +22% −44
Estland +18% +15% +36% −20
Nederland +18% −3% +14% −62
Slovenië +12% +13% +27% −60
Portugal +12% −6% +6% −36
Duitsland +12% +1% +13% −44
België +11% +1% +12% −32
Canada +7% −3% +3% −37
Verenigd Koninkrijk +7% −2% +5% −4
Frankrijk +6% +1% +8% −43
Zweden +6% +14% +21% −34
Australië +5% +12% +18% −12
Finland +4% +1% +4% −52
Denemarken +4% −5% −1% −40
Japan 0% −7% −7% −13
Noorwegen −10% +3% −7% −60

Eigen query's op de OESO-SDMX-API, ISCED 1–4, constante prijzen 2020 in USD PPP; leerlingaantallen in voltijdequivalenten uit dezelfde databank. Canada en Denemarken beginnen in 2016, Frankrijk eindigt in 2022 (geen 2015- respectievelijk 2023-cijfer).

Er zit geen verband in: r = 0,30 bij negentien landen, niet significant, en uitgavengroei verklaart nog geen negen procent van de verschillen. Sterker nog, de vier stelsels die het minst daalden — het Verenigd Koninkrijk (−4), Australië (−12), Japan (−13) en Korea (−17) — zitten op nul tot zeven procent groei, met Korea als enige uitschieter. Nederland verhoogde de reële uitgaven per leerling met achttien procent en daalde het hardst van allemaal. Ierland gaf tweeënveertig procent meer uit en verloor toch twintig punten.

Eén land in de tabel voedt de tegenovergestelde lezing: Noorwegen bezuinigde als enige (−10%) en daalde zestig punten. Dat is precies één waarneming, tegenover Japan dat nul procent extra uitgaf en dertien punten verloor.

De voor de hand liggende tegenwerping is dat uitgaven per leerling vanzelf stijgen als het leerlingenaantal krimpt, ook zonder één beleidsbesluit. Die is te controleren: vermenigvuldig het bedrag per leerling met het aantal leerlingen en je houdt de totale reële uitgaven over. Dat is de derde kolom.

Voor Nederland scheelt het iets, maar niet veel: het leerlingenaantal zakte drie procent, dus van de +18% per leerling blijft +14% aan totale uitgaven over. Bij Korea is het effect wél groot — een krimp van veertien procent maakt van +43% per leerling een +22% totaal. En het verandert de conclusie niet, integendeel: op totale uitgaven gerekend zakt het verband van r = 0,30 naar r = 0,22, met nog geen vijf procent verklaarde variantie. De correctie halveert een verband dat al niet significant was.

Waarschuwing

Wat er blijft staan: de uitgaven lopen tot 2023 en de leesscores tot 2025, en negentien landen is weinig om een zwak verband mee aan te tonen of uit te sluiten. Het is een grove toets. Maar een grove toets die twee keer niets vindt — per leerling en na correctie voor het leerlingenaantal — en waarin de twee stabielste stelsels tot de zuinigste groeiers horen, laat weinig ruimte voor "we hebben te weinig geïnvesteerd" als verklaring van de dáling.

Oordeel: geld verklaart niets van de daling (Hoge zekerheid voor het niveau; eigen berekening voor de trend, zowel per leerling als op totale uitgaven). De besteding wel iets: het geld zit in salarissen, gebouwen en ondersteunend personeel, niet in lesuren Nederlands of bevoegde docenten op de zwakste scholen. Opvallend genoeg noemde op 8 september geen enkele krant, politicus of OESO-bron geld als oorzaak; alleen de sector vroeg erom.

Migratie

Dit is de verklaring die het scherpst te weerleggen is, omdat de OESO de cijfers apart publiceert.

2015 2018 2022 2025 2015–2025
Aandeel met migratieachtergrond 10,7% 13,8% 13,6% 13,3% +2,6 pp
Lezen zónder migratieachtergrond 510 498 476 455 −55
Lezen mét migratieachtergrond 463 426 419 401 −62
Kloof −47 −72 −56 −54
Kloof na correctie voor SES en thuistaal −10 −32 −11 −13
Onder niveau 2, zónder migratieachtergrond 15,8% 19,6% 28,4% 33,4% +17,6 pp

Geverifieerd (OESO, tabellen I.B1.2d.1, 2d.8, 2d.11, 2d.14).

Leerlingen zónder migratieachtergrond verloren vijfenvijftig punten; hun aandeel onder niveau 2 verdubbelde ruimschoots. Het aandeel migrantenleerlingen in de steekproef is sinds 2018 stabiel. En de kloof met migrantenleerlingen verdwijnt vrijwel volledig na correctie voor sociaaleconomische status en thuistaal: het is een taal- en armoedeprobleem, geen herkomstprobleem.

Vlaanderen laat dat laatste het scherpst zien, omdat het Vlaamse rapport als enige de thuistaal uitsplitst naar de taal zelf. De figuur die daaruit rondgaat is de ongecorrigeerde: Nederlands 513, Frans 444, Arabisch 435, Turks 420, een Afrikaanse taal 387. Maar drie bladzijden verderop staat dezelfde uitsplitsing mét correctie voor sociaaleconomische status, en die ziet er anders uit.

Puntgrafiek van de Vlaamse PISA-scores voor wetenschappen per thuistaal, voor en na correctie voor sociaaleconomische status: de Nederlandstalige groep zakt vijftien punten, vrijwel alle andere groepen stijgen
Thuistaal in Vlaanderen (wetenschappen) Vóór SES-correctie Ná SES-correctie
Nederlands 519 504
Oost-Europese taal 479 489
Andere West-Europese taal 484 487
Arabisch 443 466
Andere taal 435 455
Frans 458 455
Turks 426 443
Afrikaanse taal 394 420

Vlaams Rapport PISA 2025, figuren 3.25 en 3.31. De cijfers in de rechterkolom liggen iets anders dan in de linker omdat alleen leerlingen met gegevens over zowel thuistaal als SES meetellen.

Corrigeer je voor armoede, dan zákt de Nederlandstalige groep (519 naar 504) en stíjgt vrijwel elke andere groep. Leerlingen met een Oost-Europese of andere West-Europese thuistaal komen op hetzelfde niveau uit als de Nederlandstalige — het rapport zegt dat met zoveel woorden. De Arabische kloof halveert van 76 naar 38 punten. Wat als een taalranglijst oogt, is voor het grootste deel een armoederanglijst.

Twee dingen die de rondgaande figuur bovendien niet toont. De staaf voor "Afrikaanse taal" rust op vierentwintig leerlingen — het rapport arceert hem daarom en noemt hem minder betrouwbaar. En het rapport waarschuwt zelf tegen de volgorde die de grafiek suggereert: tussen de niet-Nederlandstalige groepen onderling zijn de verschillen "beperkter", Frans en Arabisch verschillen niet significant, en Arabisch, Turks en "andere taal" zijn onderling vergelijkbaar op alle drie de domeinen. De enige harde scheidslijn is die tussen Nederlands en niet-Nederlands, en ook die is voor de helft armoede.

Rekenen we het compositie-effect door, dan komt er weinig uit. Maarten Wolbers — hoogleraar in Nijmegen en directeur van twee van de drie instellingen die PISA in Nederland uitvoeren — komt op ongeveer tien procent van de daling, op basis van het aandeel vo-leerlingen met Nederlands als thuistaal dat van 96% (2003) naar 87% (2022) zakte.

Maarten Wolbers, hoogleraar Radboud Universiteit, in NRC

"Nogal wiedes dat een gemiddeld toetsresultaat in de loop van de tijd ook daalt." En over de reacties daarop: "Op sociale media werd ik 'PVV-professor' genoemd. (…) Natuurlijk moet je goed uitkijken hoe je zoiets brengt, maar ik vind het wel van belang dat je dit soort demografische processen ook meeneemt. Anders versterk je het idee dat de afname van leesvaardigheid alleen een onderwijsprobleem is."

Hij heeft gelijk dat het meegenomen moet worden, en hij is over die tien procent voorzichtiger dan zijn critici doen voorkomen: het is een bovengrens over twintig jaar. Herhaal je de som met de OESO-cijfers van 2015–2025 — 5,7 procentpunt meer anderstaligen bij een kloof van ruim zeventig punten — dan kom je op ongeveer vier punten. Op migratieachtergrond gerekend is het anderhalf. Wolbers voegt er de groei van eenouder- en gebroken gezinnen aan toe als tweede demografische factor; in het interview zonder bron of decompositie, dus dat blijft een aanname.

Het beslissende cijfer blijft hoe dan ook het bovenste van de tabel: de daling van vijfenvijftig punten zit bij leerlingen zónder migratieachtergrond. Wat er ook aan compositie verandert, het verklaart niet waarom de meerderheidsgroep zakt.

De internationale tegenvoorbeelden zijn nog harder. In Engeland leest de tweede generatie beter dan niet-migranten (515 tegen 504) bij 27% migratieachtergrond. In Canada, met 39% migratieachtergrond, geldt hetzelfde en daalden juist de niet-migranten met achtentwintig punten sinds 2018. Noorwegen heeft de kleinste migratiekloof van de Noordse landen en de grootste daling. In Vlaanderen dalen "beide taalgroepen sinds 2015 in een vergelijkbaar tempo", aldus het Vlaamse rapport zelf.

Het scherpst wordt het als je heel Europa in één beeld legt: links de leerlingen zonder migratieachtergrond, rechts die met, op dezelfde kleurenschaal.

Twee Europakaarten naast elkaar met PISA-2025-scores: links leerlingen zonder migratieachtergrond, overwegend groen, rechts leerlingen met migratieachtergrond, overwegend rood; het Verenigd Koninkrijk is in beide kaarten donkergroen

Kaarten van @smirkley op basis van OESO, PISA 2025 Results (Volume I), tabellen I.B1.2d.7 tot I.B1.2d.9. Het getal is het ongewogen gemiddelde van natuurwetenschappen, lezen en wiskunde; PISA publiceert zelf geen samengestelde score. Leerlingen die geen achtergrond opgaven zitten in geen van beide panelen (OESO-gemiddeld 8,5%).

Zonder migratieachtergrond Met migratieachtergrond Kloof
Finland 494 415 79
Duitsland 504 430 74
Zweden 493 430 63
Oostenrijk 500 442 58
Nederland 484 427 57
Denemarken 481 425 56
Frankrijk 484 431 53
Polen 494 444 50
België 497 448 49
Estland 518 471 47
Zwitserland 513 467 46
Noorwegen 472 434 38
Ierland 497 490 7
Verenigd Koninkrijk 503 504 −1

Drie dingen springen eruit.

Het Verenigd Koninkrijk is de uitzondering die de verklaring sloopt. Daar scoren leerlingen mét migratieachtergrond een punt hóger dan die zonder. Ierland zit op zeven punten verschil. Dat zijn geen landen met weinig migranten; het zijn landen waar migratie geen prestatieprobleem oplevert. Als migratie de daling verklaart, moet je uitleggen waarom precies daar niets gebeurt.

Een grote kloof voorspelt geen grote daling. Finland heeft de grootste kloof van Europa (79 punten) en Duitsland de op een na grootste (74). Nederland zit met 57 in de middenmoot, achter vier andere landen. Als de kloof de motor was, zou Finland harder moeten dalen dan Nederland. Finland verloor 52 punten op lezen, Nederland 62.

En het beslissende punt: haal migratie er volledig uit en Nederland staat er nog steeds slecht voor. Nederlandse leerlingen zonder migratieachtergrond scoren 484. Dat is lager dan Estland (518), Zwitserland (513), Duitsland (504), het Verenigd Koninkrijk (503), Oostenrijk (500), Ierland (497), België (497), Finland (494), Polen (494) en Zweden (493). De meest gunstige vergelijking die je voor Nederland kunt maken — alleen de meerderheidsgroep, tegen de meerderheidsgroep elders — laat Nederland in de onderste helft van West-Europa staan.

Waarschuwing

Twee dingen bij deze kaart. Ik heb de cijfers van de kaart afgelezen, niet zelf uit de OESO-tabellen herrekend; wel getoetst tegen mijn eigen geverifieerde cijfers, en die komen uit. De Nederlandse leeskloof die ik zelf uit de bijlagen haalde is 54 punten (455 tegen 401), tegen 57 op de kaart over drie domeinen. Gewogen met het Nederlandse migrantenaandeel van 13,3% geven de kaartcijfers 476, tegen een landgemiddelde van 470 over dezelfde drie domeinen — het verschil van zes punten is precies wat je verwacht als de niet-geclassificeerde groep lager scoort. En de Britse en Belgische cijfers wijzen dezelfde kant op als wat er in mijn bronnen staat.

Belangrijker: dit is het gemiddelde van drie domeinen, en lezen is voor Nederland het zwakste. Nederland scoort 441 op lezen tegen 483 op wiskunde en 485 op natuurwetenschappen. Die 484 voor de meerderheidsgroep flatteert de Nederlandse positie dus; op lezen alleen is het beeld slechter dan deze kaart laat zien.

Oordeel: verklaart hooguit twee tot zes van de tweeënzestig punten (Hoge zekerheid). Wat migratie wél doet: nieuwkomers concentreren zich op scholen die al het grootste lerarentekort hebben.

Vroege selectie

Nederland selecteert op twaalf jaar en dat is te zien: 53% van de variantie in leesscores zit tussen scholen in plaats van binnen scholen, tegen 30% in de OESO. Alleen Zambia scoort hoger. Dat is een reëel probleem — voor de ongelijkheid.

Maar het verklaart geen trend, want het is een constante: Nederland selecteert sinds 1968 op twaalf. En internationaal discrimineert de selectieleeftijd niet. De dalers selecteren op tien (Duitsland), op twaalf (Nederland, Vlaanderen) en op zestien (Finland, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Spanje). Canada en Australië selecteren helemaal niet en daalden zevenendertig respectievelijk twaalf punten. Onder de stabiele landen zit Singapore (twaalf) én Estland (zestien).

Er is één natuurlijk experiment. Polen verschoof in 2017 de selectie van zestien naar vijftien, schrapte een gemeenschappelijk gymnasiumjaar en verplaatste het examen naar vóór de PISA-leeftijd. In die ene cyclus verloor het drieëntwintig punten en sprong de tussenschoolse variantie van 19% naar 27–29%. Het Poolse instituut IBE noemt dat zelf als mede-oorzaak. Een verschúiving in de selectie kost dus meetbaar punten — maar Nederland heeft die verschuiving al zevenenvijftig jaar niet gehad.

Oordeel: verklaart het niveau van de ongelijkheid, niet de trend (Aanname). Het verklaart al helemaal niet het topprobleem: vwo-leerlingen zitten in de meest homogene groep die het stelsel kent, en juist daar zakte lezen in 2025 zestien punten.

Corona

Vierenzestig procent van de Nederlandse leerlingen zat langer dan drie maanden achter een gesloten schooldeur, tegen 51% OESO-breed. Dat kostte leerwinst; internationaal ongeveer 0,14 standaarddeviatie.

Maar de timing klopt niet. De leesdaling begon in 2015–2018, twee jaar vóór de eerste sluiting. Zweden sloot niet en verloor sinds 2015 vierendertig punten. Noorwegen en Denemarken stellen in hun eigen rapporten vast dat prestaties, motivatie en welzijn al vóór 2020 daalden. En het cohort van 2025, dat tien à elf jaar oud was tijdens de sluitingen, is volgens het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs hersteld — maar zakte op lezen alsnog achttien punten verder.

Oordeel: verklaart een deel van de dip van 2022 — schatting tien tot vijftien van de zesentwintig punten lezen, en meer bij wiskunde — en niets van 2015–2018 of 2022–2025 (Aanname). Het nationale rapport noemt de corona-invloed zelf "mogelijk overschat".

3 · Waar de daling wél ontstond

Als de vier gebruikelijke verdachten afvallen, waar zit het dan? Drie analyses brengen het dichterbij.

De daling ontstaat tussen tien en vijftien jaar

De open vraag in dit dossier was jarenlang: waarom lijkt het basisonderwijs stabiel terwijl de 15-jarigen dalen?

Wolbers legt precies hier de vinger op de zwakte van PISA. De toets is volgens hem "ontzettend goed ontwikkeld, ongeëvenaard in de wereld" voor het vergelijken van landen en van jaren, maar "een momentopname en geen cohortstudie, dus je kunt leerlingen niet over langere tijd volgen. Dat is gewoon heel erg jammer." Dat klopt, en het is de reden dat de vraag hierboven zo lang open bleef staan.

Er is één omweg: je kunt niet dezelfde léérlingen volgen, maar wel dezelfde geboortecohorten, door verschillende metingen aan elkaar te knopen. PIRLS meet op tien jaar, Peil en de Cito-instroomtoets rond twaalf, PISA op vijftien. Dat is geen panel — het zijn losse steekproeven uit dezelfde jaargangen — maar het is genoeg om te zien wánneer een cohort zijn achterstand oploopt.

Grafiek waarin per geboortecohort de PIRLS-score op tien jaar vlak blijft terwijl de PISA-score op vijftien jaar zeventig punten zakt
Geboren circa Op 10 jaar (PIRLS) Op 15 jaar (PISA lezen)
1995–96 2006: 547 2012: 511
2000–01 2011: 546 2015: 503
2005–06 2016: 545 2022: 459
2008–09 (geen PIRLS) 2025: 441
2010–11 2021: 527 2028: nog te meten

Bronnen: PIRLS-reeks 2006–2021, OESO tabel I.B1.2a.37. De cohortkoppeling op geboortejaar is eigen werk, met een marge van één jaar.

Het cohort van PISA 2022 is het scherpste geval. Het scoorde op tien jaar (PIRLS 2016) precies zoals het cohort van tien jaar eerder. Het kwam in 2018/19 op het pre-coronaniveau het voortgezet onderwijs binnen — dat is het referentiejaar dat Cito zelf gebruikt. En drie jaar later stond het op 459, vierenveertig punten onder het cohort van 2015. Wat dit cohort verloor, verloor het tussen zijn twaalfde en zijn vijftiende.

Sinds het cohort van 2008 daalt het basisonderwijs ook: Peil.Leesvaardigheid 2020/21 ligt licht onder 2011/12, de Cito-instroomtoets in het vo zakte in 2021 met 0,16 tot 0,21 standaarddeviatie ten opzichte van 2019, en PIRLS 2021 verloor achttien punten. De cohorten daarna komen nog lager binnen: −0,24 tot −0,34 in 2023, −0,30 tot −0,44 in 2024.

De volgorde is veelzeggend. De aandoening bereikte eerst de tieners (tussen 2012 en 2016) en pas vijf jaar later de basisschoolkinderen (tussen 2016 en 2021). Dat past bij een blootstelling die van boven naar beneden door de leeftijden zakt — smartphones en sociale media bereikten eerst de twaalfplussers. Het past níét bij een oorzaak die in het basisonderwijs begint en doorwerkt, want dan had PIRLS eerder moeten dalen dan PISA.

Opmerking

Peil.Leesvaardigheid voegt hier een ongemakkelijk detail aan toe: leerkrachten besteedden in 2021 méér tijd aan lezen dan in 2011 (begrijpend lezen 1u45 naar 1u48, technisch lezen 58 minuten naar 1u16, woordenschat 41 naar 56 minuten per week) en gebruikten vaker toetsen en extra begeleiding. De opbrengst daalde toch.

Nederland daalde op élk soort opgave

Dit is het cijfer dat mijn eigen eerdere verklaring onderuithaalde. De OESO publiceert per land hoeveel de kans op een goed antwoord veranderde, uitgesplitst naar het soort opgave.

Puntgrafiek van odds ratio's per opgavekenmerk: Nederland zit op 0,6 voor alle kenmerken, Japan boven 1,0
Kenmerk (odds ratio 2025 t.o.v. 2018) Nederland OESO-35 VK Japan
Korte tekst 0,6 0,9 1,0 1,2
Middellange tekst 0,7 0,9 1,0 1,3
Lange tekst 0,6 0,8 0,9 1,1
Informatie opzoeken 0,6 0,8 1,0 1,1
Begrijpen 0,6 0,8 1,0 1,3
Evalueren en reflecteren 0,6 0,8 1,0 1,3
Eén bron 0,6 0,8 1,0 1,1
Meerdere bronnen 0,6 0,8 1,0 1,3

Geverifieerd (OESO, Annex A1, tabel I.A1.9). Een odds ratio van 0,6 betekent een fors kleinere kans op een goed antwoord dan in 2018.

De Nederlandse daling is volstrekt uniform. Korte teksten daalden even hard als lange. Informatie opzoeken even hard als evalueren en reflecteren. Eén bron even hard als meerdere bronnen. Alleen eenvoudige meerkeuzevragen daalden iets minder (0,7), wat past bij gokken.

Dat is belangrijk, want het gangbare verhaal luidt: Nederland scoort zwak op diep lezen, dus het curriculum dat diep lezen niet aanbiedt is de oorzaak. Het eerste klopt — Nederland scoort al jaren relatief zwak op evalueren en reflecteren. Maar de dáling zit daar niet specifiek. Een verklaring die alleen het wegvallen van diep-leesonderwijs aanwijst, voorspelt een ander patroon dan de data laten zien.

Het lezen werd ook trager en slordiger

Gestapelde staafgrafiek: het aandeel accurate en vloeiende Nederlandse lezers daalt van 78,3 naar 60,1 procent, gehaast lezen stijgt naar 17,7 procent
2018 2022 2025
Nederland: accuraat en vloeiend 78,3% 70,6% 60,1%
Nederland: traag 9,2% 13,8% 11,0%
Nederland: onnauwkeurig 7,3% 8,0% 11,2%
Nederland: gehaast (snel en fout) 5,1% 7,6% 17,7%
OESO-35: accuraat en vloeiend 81,0% 78,5% 73,9%
Verenigd Koninkrijk: accuraat en vloeiend 85,7% 85,6% 86,2%
Japan: accuraat en vloeiend 87,4% 87,3% 81,6%

Geverifieerd (OESO, Annex A1, tabellen I.A1.12–I.A1.15).

Het aandeel gehaaste lezers verdrievoudigde. Het aandeel overgeslagen opgaven bleef intussen laag (1,7%): leerlingen slaan niet over, ze lezen te snel en te slordig. Datzelfde beeld zie je in de hele toets — het aandeel antwoorden dat zo snel komt dat het als niet-serieus geldt, steeg van 6,9% naar 14,2%, tegen 4,6% naar 8,9% OESO-breed.

De OESO rekent die aandacht uitdrukkelijk tót het leesconstruct, niet tot de meetfout: het soort focus dat lezen nu eenmaal vereist. En de test daarop is simpel: wiskunde, met dezelfde leerlingen en dezelfde onbelangrijke toets, daalde niet mee. Dit is dus geen algemene toetsapathie.

Japan levert de fijnste diagnose. Daar daalde de vloeiendheid ook (87,4% naar 81,6%) — en dat was volgens het Japanse instituut NIER de héle Japanse daling. Het begrip hield stand. Nederland verloor beide.

Wat het patroon dan wél voorspelt

Twee dingen passen bij een uniforme daling plus vloeiendheidsverlies: minder leeskilometers, en minder volgehouden aandacht. Die twee zijn moeilijk te scheiden en versterken elkaar.

Het Nederlandse leesgedrag is dan ook uitzonderlijk. In 2018 had Nederland het laagste leesplezier van alle 79 deelnemende systemen (index −0,57 tegen −0,06 OESO-breed). "Ik lees alleen als het moet" steeg van 52% (2009) naar 63%; "lezen is tijdverspilling" van 34% naar 42%. Van de tienjarigen houdt nog 17% erg veel van lezen, tegen 43% internationaal; bijna 60% van de jongens leest nooit voor plezier (PIRLS 2021). De leestijd van 13- tot 19-jarigen daalde tussen 2013 en 2015 van 23 naar 10 minuten per dag.

De causale evidentie voor het schermdeel is buitenlands maar serieus: vroege adoptie van sociale media kost 0,21 standaarddeviatie taalvaardigheid (Gui e.a. 2026, Nature Human Behaviour, 5.227 Italiaanse leerlingen, difference-in-differences); een telefoonverbod levert 0,07 standaarddeviatie op en 0,14 bij laagpresteerders (Beland & Murphy 2016); schermlezen van informatieve teksten kost 0,27 standaarddeviatie begrip (Delgado e.a. 2018).

En de Nederlandse cijfers over aandacht in de klas passen erbij: 45% voelt zich soms of altijd nerveus zonder apparaat, 23% wordt in de meeste lessen afgeleid en op het beroepsgerichte vmbo 41%. Ruim een derde gebruikt wekelijks AI bij het leren; een kwart laat teksten samenvatten of schrijven.

Waarschuwing

Eén tegenwerping die blijft staan: schermen zijn overal. De Nederlandse smartphonepenetratie is niet uitzonderlijk, en toch daalde Nederland vijfendertig punten harder dan het OESO-gemiddelde. Schermgebruik verklaart de internationale daling beter dan het Nederlandse surplus. Voor dat surplus is iets nationaals nodig — en daar wordt het lastig.

4 · Wat ik dacht dat het antwoord was, en waarom dat niet klopt

De voor de hand liggende kandidaat voor het Nederlandse surplus is het onderwijs zelf. Nederland is een van de weinige OESO-landen zonder vast aandeel onderwijstijd voor taal of rekenen; in de OESO-data staat honderd procent van de Nederlandse onderwijstijd als flexibel. Er is geen lessentabel. In het voortgezet onderwijs wordt gemiddeld achtenveertig minuten per week vrij gelezen, heeft 43% van de schoolleiders geen mediatheek en zegt ruim een derde van de docenten dat lezen beperkt blijft tot het vak Nederlands.

Daar kwam een aantrekkelijke hypothese uit voort. Kijk naar de landen die stabiel bleven — Engeland, Ierland, Estland, Polen, Japan, Korea, Singapore — en je ziet drie kenmerken die Nederland mist:

  1. een nationaal curriculum met vaste uren moedertaal;
  2. een extern examen of nationale toets rond vijftien jaar die meetelt;
  3. een expliciete, landelijk gemonitorde leesdidactiek in de eerste schooljaren.

Een mooi verhaal. Het klopt alleen niet.

Spreidingsdiagram van zeven landen: het aantal structuurkenmerken hangt niet samen met de leesdaling; Portugal met drie kenmerken daalde 36, Australië met vrijwel geen 12

Ik heb die claim getoetst op zes landen die de kenmerken (deels) wél hebben en toch daalden, plus Australië dat ze mist en nauwelijks daalde. Per land is elk kenmerk gedateerd op het gemeten cohort — leerlingen geboren in 2009 — en het uitgangsoordeel was "weerlegd tenzij".

Land Lezen 2015–25 Vaste uren Examen rond 15 Vroege leesdidactiek Score
Portugal −36 ja ja (30% van het eindcijfer) ja 3
Duitsland −44 ja (Stundentafeln) deels monitoring wel, mandaat niet 2
Canada −37 Quebec wel ja (Ontario, diplomavoorwaarde) monitoring wel, didactiek pas 2022 2
Frankrijk −43 ja brevet, zonder gevolg nee voor dit cohort 1,5
Australië −12 nee laag-stakes monitoring wel 0,5
Spanje −44 nee nee nee 0
Nederland −62 nee nee nee 0

De kenmerken sorteren de landen niet. Portugal heeft alle drie en daalde zesendertig punten. Duitsland en Canada hebben er twee en daalden vierenveertig en zevenendertig. Australië heeft er vrijwel geen en daalde twaalf. Ook de zwakkere lezing — "zonder de kenmerken daal je harder dan het OESO-tempo" — sneuvelt op Duitsland en Canada, die mét de kenmerken zeventien en tien punten boven het OESO-gemiddelde daalden.

Wat de toets leert, is preciezer dan het recept. Nominaal vaste uren zijn geen uren in de klas: Portugal gaf scholen in 2018 vijfentwintig procent roostervrijheid, Frankrijk kortte de basisschoolweek van zesentwintig naar vierentwintig uur. Een examen zonder consequentie mobiliseert niet: Frankrijk heeft het brevet en meet na Luxemburg de laagste testinzet van de OESO. En monitoring zonder didactisch mandaat voorkomt niets: Duitsland zag de daling gewoon in zijn eigen IQB-data staan.

Wat overblijft is één land. Engeland combineerde vóór 2015 een didactisch mandaat met een landelijke leescheck op zes jaar (2012), een kennisrijk curriculum (2014) en een examen dat de vervolgplaats bepaalt (GCSE), liet dat pakket tien jaar staan, en is het enige westerse land dat sinds 2012 niet daalde. Het cohort van 2025 is het eerste dat die hele keten doorliep.

Dat is n = 1, en zelfs die ene heeft een asterisk. Pedro De Bruyckere zette de dag na de publicatie precies dat voorbehoud op een rij, en zijn stuk is de beste rem op het enthousiasme dat ik ken.

Om te beginnen: binnen het Verenigd Koninkrijk lijkt het een schoolvoorbeeld.

PISA 2025 Natuurwetenschappen Lezen Wiskunde
Engeland 516 497 492
Schotland 491 488 467
Noord-Ierland 492 482 473
Wales 476 459 456

Cijfers uit de nationale rapporten van de vier regio's, samengebracht door De Bruyckere; de OESO-bijlage rapporteert het Verenigd Koninkrijk als één geheel (lezen 494), en dat is het cijfer dat in de tabellen hierboven staat.

Engeland bleef over 2015–2025 op alle drie de domeinen statistisch stabiel; Schotland, Wales en Noord-Ierland daalden significant op wiskunde, Wales en Noord-Ierland ook op lezen. Vier stelsels, één land, vier curriculumfilosofieën: kennis en phonics in Engeland, brede competenties in Schotland, purpose-driven in Wales. Zo'n natuurlijk experiment krijg je zelden cadeau.

En toch houdt het niet. Drie bezwaren.

De steekproef. In Engeland verschilden deelnemers en niet-deelnemers systematisch: 1,4% van de deelnemers had een Education, Health and Care Plan tegen 7,1% van de niet-deelnemers; 10,7% tegen 25,0% kreeg andere ondersteuning bij een onderwijsbehoefte; 23,8% tegen 39,6% had recht op gratis schoolmaaltijden. Wie wegbleef, zou gemiddeld lager hebben gescoord — de Engelse onderzoekers waarschuwen daar zelf voor bij internationale en historische vergelijkingen. Hoe groot de vertekening is, weet niemand precies: De Bruyckere geeft een doorgespeelde suggestie van tot tien punten door, en rekent voor dat Engeland op wiskunde dan van 492 naar 482 zou gaan, nog altijd ruim boven Schotland (467) en Wales (456). Die orde van grootte komt overeen met wat er in mijn eigen landenvergelijking al stond, maar het is een schatting, geen gemeten correctie.

De chronologie. Het Welshe cohort van 2025 is het laatste dat nog níét onder het nieuwe Curriculum for Wales heeft gezeten. Wat daar gemeten is, is het oude curriculum. De vergelijking die het contrast zou moeten dragen, gaat over een stelsel dat inmiddels niet meer bestaat.

De confounders. Demografie, economie, lerarentekorten, toetsbeleid, schoolstructuren en verzuim verschillen tussen de vier regio's. De Bruyckere formuleert de conclusie zoals ze hoort: "Uit deze cijfers kun je onmogelijk afleiden dat curriculumbeleid de oorzaak is van de verschillende trajecten."

Pedro De Bruyckere

"Tegelijk mogen we niet vergeten hoe het andere gidslanden verging. Remember Finland? We mogen niet ervan uitgaan dat curriculum alles is."

Dat is geen retorische sneer maar een empirisch punt: Finland stond twintig jaar lang op elke Nederlandse studiereisagenda en verloor sinds 2015 tweeënvijftig punten op lezen — na Nederland, Noorwegen en Slovenië de grootste daling van alle landen in dit stuk, en de leestop daar halveerde net zo hard als hier (13,7% naar 6,1%). De Bruyckere voegt er een waarneming aan toe die het beeld compleet maakt: wie nu in Londen komt, hoort daar niet meer kennisrijkheid als hoofdthema, maar inclusie.

Eén cijfer uit datzelfde stuk verdient aparte aandacht, omdat het haaks staat op alles wat hierboven over Nederland staat: in Schotland verklaart sociaaleconomische status maar 3,6% van de leesprestaties, bij een SES-gradiënt van negentien punten. In Nederland is de kloof vierennegentig punten en verklaart SES tien procent, al tien jaar stabiel. Schotland is dus tegelijk gedaald op wiskunde én een van de gelijkste stelsels in dit hele overzicht. Of die Schotse gelijkheid over de tijd is toegenomen, kan ik niet vaststellen — het is een momentcijfer. Maar het niveau alleen al is genoeg om te laten zien dat dalen en gelijk zijn prima samengaan, en dat is precies waarom "de daling is een ongelijkheidsprobleem" als samenvatting niet werkt.

Wie het Engelse pakket kopieert, kopieert dus een hypothese, geen bewezen remedie.

Waarschuwing

Dit is de eerlijke conclusie van mijn eigen analyse: ik had beleidskenmerken geselecteerd op de landen die ik al als stabiel kende. Dat is de klassieke fout van selecteren op de afhankelijke variabele. Wat de landenvergelijking wél levert, is uitsluiting — geld, selectie, migratie, telefoonbeleid, zittenblijven en het lerarentekort als voldoende oorzaak vallen allemaal af. Wat ze niet levert, is een recept.

En dan is er nog het Nederlandse surplus. Nederland daalde vijfendertig punten meer dan het OESO-gemiddelde. Spanje, dat net als Nederland geen van de drie kenmerken heeft, daalde zeventien punten boven de OESO. Duitsland, mét twee kenmerken, ook zeventien. Het verschil tussen Spanje en Nederland is onverklaard. De kandidaten die ik niet heb kunnen toetsen: het laagste leesplezier ter wereld, het volledig ontbreken van een bodem aan uren in de onderbouw vo sinds de kerndoelenherziening van 2006, en de hoogste tussenschoolse variantie.

5 · Het Ierse voorbeeld, en wat er precies aan te leren valt

Ierland is deze week het lievelingsvoorbeeld: beste leesscore van alle EU-landen, en de NRC stond op de publicatiedag in een Dublinse klas om te vragen wat het geheim is.

Paul Conway, hoogleraar onderwijs Universiteit van Limerick, in NRC

"Het is een combinatie van systematisch, doelgericht en proactief beleid, waarbij breed overleg plaatsvindt. En er wordt goed geïnvesteerd in evaluaties."

Dat is de nette samenvatting. De harde, dateerbare ingreep is een andere: na de Ierse PISA-schok van 2009 kwam er een tienjarige lees- en rekenstrategie met expliciete streefcijfers, minimumuren en verplichte toetsen in de klassen 2, 4 en 6, plus een verlenging van de lerarenopleiding — het basisonderwijs van drie naar vier jaar, de postdoctorale vo-opleiding van één naar twee. Ierland herstelde binnen twee cycli. Het doet dat bovendien met minder geld per leerling dan Nederland (12.562 tegen 15.254 dollar) en met grotere klassen.

Twee dingen die in de meeste Nederlandse berichtgeving wegvallen. Ten eerste: Ierland dáált ook. Van 520 naar 500 sinds 2015, en zestien punten sinds 2022. De uitzonderingspositie is relatief — de rest zakte harder. Ten tweede: verklaringen als "zelfstandig leren", "leerlogboeken" en "buitenschoolse activiteiten" zijn wat leraren en leerlingen zélf noemen, en ze zijn nergens getoetst tegen een dalend land. Nederland scoort op welbevinden en schoolbinding juist goed; binding als prestatieverklaring zou dus eerst dáártegen moeten worden gehouden.

Wat wél een toetsbare hypothese oplevert, komt uit een LinkedIn-post van een Nederlander die tot zijn vijftiende in Ierland op school zat en die de reportage deelde:

Dat is één anekdote over een niet-gedateerde schooltijd, en dus geen bewijs. Maar het wijst op een mechanisme dat in mijn hele analyse ontbrak. Ik heb leesonderwijs steeds bekeken als curriculum, lestijd en didactiek — strategie-instructie, magere teksten, geen lessentabel, lezen als "iets van de sectie Nederlands". Schrijven als route naar diep lezen komt er niet in voor, en peer-beoordeelde essays al helemaal niet. Terwijl wie zelf een essay schrijft en dat van een klasgenoot beoordeelt precies oefent wat PISA "evalueren en reflecteren" noemt: het onderdeel waarop Nederland structureel ondergemiddeld scoort.

Dat maakt het een vooruitkijkende hypothese in plaats van een terugkijkende verklaring. Nederland heeft schrijfvaardigheid de afgelopen jaren juist teruggehaald in kerndoelen en toetsing. Als het lees-schrijfkoppel doet wat het lijkt te doen, zou dat in PISA 2031 of 2034 zichtbaar moeten worden. Zo niet, dan was het een mooi verhaal.

Dezelfde post noteert overigens iets dat de falsificatietoets bevestigt. De auteur vond de Ierse klassen met alle niveaus door elkaar "soms best lastig" en schrijft er geen prestatiewinst aan toe, maar een sociale: respect, en een lesje nederigheid voor wie zelf onhandig is in hout- en metaalbewerking. Dat past bij de data. De selectieleeftijd scheidt de dalers niet van de stabiele landen; wat niet-selecteren oplevert, is menging, geen leesscore.

6 · De weging

Factor Verklaart het niveau Verklaart de trend Verklaart het NL-surplus Leesspecifiek Raakt de top Geschatte bijdrage aan −62
Meetartefacten, steekproef nee nee deels 0 tot 10 punten
Migratie, thuistaal deels nauwelijks nee nee nee 2 tot 6 punten
SES en segregatie ja (verdeling) nee via tekorten nee nee verdeelt, verklaart niet
Vroege selectie ongelijkheid nee mogelijk onderkant nee nee 0 (constante)
Leesgedrag, schermen, aandacht deels ja deels ja ja 20 tot 30 punten
Leesonderwijs, curriculum ja nee (ouder dan de knik) ja ja ja interactie met leesgedrag
Lerarentekort en bevoegdheid onderkant sinds 2018 mogelijk nee nee 5 tot 15 punten (onzeker)
Onderwijsuitgaven nee nee (r = 0,30 per leerling, 0,22 totaal, n = 19) nee nee nee 0
COVID alleen 2022 nee nee nee 10 tot 15 van de dip in 2022
Toetsmotivatie ruis nee nee symptoom 0 als oorzaak

Alle bijdragen zijn aannames op basis van de bovenstaande evidentie. Ze tellen niet op tot precies tweeënzestig, en dat hoeft ook niet: de factoren werken op elkaar in. De OESO omschrijft het als "kleine krachten die samen sterke effecten produceren".

Het samenhangende beeld: een generatie die veel minder lang en aandachtig leest, in een stelsel dat diep lezen nooit structureel onderwees en dat het lezen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs grotendeels loslaat, met sinds 2018 op de zwakste scholen de zwakste bezetting, waarbij corona in 2022 een extra schok gaf.

Over dat lerarentekort nog dit: het is de factor waarvoor het Nederlandse bewijs het dunst is en de beleidsaandacht het grootst. Het aandeel leerlingen op een school waar het onderwijs volgens de schoolleider wordt belemmerd door een gebrek aan docenten ging van 36% (2018) naar 72% (2022) en weer terug naar 47% (2025). Er bestaat geen Nederlandse studie die het tekort aan toetsscores koppelt. En internationaal is Estland zwaarder getroffen dan Nederland (65% belemmerd) en scoort het achtenvijftig punten hoger.

7 · Wat dit voor beleid betekent

Voordat de aanbevelingen komen, eerst de tegenwerping die het hardst aankomt, en die uitgerekend van de uitvoerder van PISA zelf komt.

Maarten Wolbers, hoogleraar Radboud Universiteit, in NRC

"Het is misschien ook een onderwijsprobleem. Maar niet alles is te wijten aan het onderwijs. De samenleving heeft een probleem, en wij denken de oplossing te vinden in het onderwijs. Of althans, we geven het onderwijs de opdracht om het op te lossen." En: "Niks doen is geen optie, maar heb ook niet de illusie dat als je aan die ene knop draait, dat je daarmee het hele probleem oplost. Ik zou ervoor willen waken dat we weer terugvallen in dat idee van de maakbare samenleving uit de jaren zeventig."

Dat is grotendeels in lijn met wat hierboven staat. De zwaarste factor in mijn weging — leesgedrag en aandacht — is een buitenschoolse factor, en de cijfers over ouders wijzen dezelfde kant op: het aandeel leerlingen wier ouders wekelijks bespreken hoe het op school gaat zakte tussen 2022 en 2025 van 74% naar 64%, en over problemen praten van 60% naar 44%.

Op twee punten wringt het wel. Ten eerste: een maatschappelijke verschuiving van woord naar beeld voorspelt niet waarom wiskunde met dezelfde leerlingen in dezelfde toets níét meedaalde. Ten tweede: Engeland heeft dezelfde smartphones, dezelfde beeldcultuur en dezelfde YouTube-kookvideo's, en daalde sinds 2012 niet. Dat is geen bewijs dat onderwijs de schade kan compenseren, maar het is wel het enige geval waarin het niet gebeurde. Wie de conclusie "de samenleving heeft een probleem" laat eindigen in "dus school kan er weinig aan doen", trekt hem verder door dan de data toelaten.

Met die kanttekening: geen advies, wel de logische gevolgen van het bovenstaande.

Verwacht niets van meer geld op zich, van later selecteren of van migratiebeperking. Die drie verklaren de daling niet. Ze kunnen om andere redenen goede ideeën zijn; als middel tegen deze daling zijn ze het niet.

Wat het patroon wél voorspelt: leeskilometers. De uniforme daling plus het vloeiendheidsverlies betekenen dat een interventie die alleen op "lange, rijke teksten" mikt de helft van het probleem laat liggen. Vloeiendheid vraagt volume. De suggestie van de Inspectie om de schooldag met een half uur lezen te openen — het Japanse stillezen — is de meest directe vertaling. En de cohorttabel zegt waar dat moet gebeuren: in de onderbouw van het voortgezet onderwijs, waar de kilometers sinds 2012 zijn verdwenen.

De top verdient een eigen doel. Het Masterplan mikt op niveau 2 en referentieniveau 2F. Het aandeel leerlingen op niveau 5 of 6 is nergens een beleidsdoel, terwijl dat het snelst daalt — en het vwo, dat sinds 2006 achtenveertig punten verloor, komt in geen enkel verbeterplan voor.

Meet wat je doet. Het Nationaal Programma Onderwijs en het Masterplan hadden samen ruim twaalf miljard en geen meetbare doelen. Ierland deed het in 2011 anders: streefcijfers, minimumuren en verplichte toetsen — en daarmee ook de mogelijkheid om achteraf vast te stellen of het werkte.

Kristof De Witte, hoogleraar onderwijseconomie KU Leuven, in HLN

Twee sporen tegelijk: structureel investeren in een kennisrijk curriculum en effectieve didactiek voor jonge kinderen, én intensieve remediëring voor de cohorten die nu al onder het basisniveau zitten — omdat dat laatste "economisch rationeel" is.

Reken met de tijdschaal. Engeland hervormde in 2012–2014 en oogstte in 2025. Ierland herstelde in twee cycli. Staatssecretaris Tielen legde op 8 september het eerste meetbare doel in dit dossier neer: "over drie jaar wil ik betere resultaten zien op lezen", dus bij PISA 2028. Dat is alleen haalbaar voor het deel van de daling dat aan leesgedrag en toetsinzet ligt. Voor het curriculumdeel is drie jaar te vroeg — en hervormingen terugdraaien na één tegenvallende meting is precies de fout die zowel Wouter Duyck als Daisy Christodoulou benoemen.

8 · Wat ik niet weet

  • Geen enkele factor hierboven is voor Nederland causaal vastgesteld. PISA is een dwarsdoorsnede. De sterkste causale studies zijn buitenlands.
  • Er bestaat geen Nederlandse studie die het lerarentekort of onbevoegdheid aan toetsscores koppelt.
  • Het effect van AI-gebruik op leesontwikkeling is onbekend. Het cohort van 2025 is het eerste met twee jaar ChatGPT achter de rug.
  • De itemanalyse kan inzet en vaardigheid niet scheiden: de odds ratio's zijn exclusief de vloeiendheidsitems maar inclusief de gehaaste antwoorden. Het onderzoek dat Wolbers in opdracht van OCW naar toetsmotivatie doet, is de eerste kans om dat wel te doen.
  • Nederland heeft geen itemanalyse zoals Japan die maakte. De verdiepingsrapporten van de Universiteit Twente, verwacht in het najaar van 2026, zouden die kunnen leveren.
  • Het lees-schrijfkoppel uit paragraaf 5 is een hypothese op basis van één ervaringsverhaal. Er is geen Iers of Nederlands effectonderzoek bij gehaald.
  • Het Engelse bewijs is zwakker dan het lijkt: één regio, een steekproef die de zwakste leerlingen ondervertegenwoordigt, en een vergelijking met Wales die chronologisch niet kan omdat daar het oude curriculum is gemeten. Ik ken geen manier om dat op te lossen met de data van nu; PISA 2028 en 2031 zijn de eerstvolgende kans.
  • De verdeling naar ouderopleiding is in 2025 niet vergelijkbaar met 2022 door een gewijzigde vraagstelling; het verdiepende rapport over kansengelijkheid (2027) moet de SES-trend bevestigen.
  • Waarom het praktijkonderwijs als enige groep stijgt, in zowel 2018 als 2025, is onverklaard. Waarschijnlijk steekproef.

En er is een vraag die in het hele debat vrijwel niet is gesteld, behalve door Wolbers: hoe erg is het eigenlijk dat de leesscores dalen? Zijn eigen illustratie is een dochter die niet meer een kookboek maar een YouTube-filmpje pakt — een samenleving die van het woord naar het beeld schuift. Ik denk dat die vraag terecht is en dat het antwoord toch "erg" blijft, om twee redenen: het beoordelen van betrouwbaarheid in een informatieomgeving vol AI-tekst vraagt eerder méér leesvaardigheid dan minder, en het verlies zit ook in vloeiendheid en nauwkeurigheid, wat geen mediakeuze is maar een vaardigheid.

En één ding dat vaak wordt vergeten: 39% onder niveau 2 betekent níét dat 39% niet kan lezen. Het betekent moeite met langere teksten, met het combineren van bronnen en met het beoordelen van betrouwbaarheid. Bovendien scoren Nederlandse 16- tot 24-jarigen in PIAAC 2023 nog steeds in de internationale top (285 punten; 12,5% op niveau 1 of lager tegen 18% OESO-breed), en groeide het geboortecohort 1989–1996 tussen zijn zestiende en zijn dertigste negen punten door. Of dat voor de 15-jarigen van nu ook geldt, weten we pas over tien jaar — en als die doorgroei zelf van lezen afhangt, dan niet.


Verantwoording

Alle PISA-cijfers komen uit OECD (2026), PISA 2025 Results (Volume I), inclusief Annex A1 en de Annex B1-tabellen; die tabellen zijn zelf uitgelezen, niet overgenomen uit persberichten. De cijfers per opleidingstype komen uit het nationale rapport (UT/EN/KBA), figuur 5.4. De uitgavencijfers komen uit eigen CBS-query's (StatLine 80393ned), OESO Education at a Glance 2025 en een eigen query op de OESO-SDMX-API (dataflow DF_UOE_INDIC_FIN_PERSTUD) voor de reële uitgaven per leerling per land. De cohortkoppeling combineert de PIRLS-reeks 2006–2021, Peil.Leesvaardigheid einde basisonderwijs 2011/12 en 2020/21, en Trends in het voortgezet onderwijs 2025 (Cito). De falsificatietoets is gebaseerd op de nationale PISA-rapporten van Frankrijk (DEPP), Portugal (IAVE), Spanje (INEE), Duitsland (ZIB/TUM), Canada (CMEC en EQAO) en Australië (ACER), alle op 8 september 2026 geraadpleegd.

De Vlaamse thuistaalcijfers komen uit het Vlaams Rapport PISA 2025 (UGent, 8 september 2026), figuren 3.25 en 3.31 en tabel 3.1; die pdf is zelf gelezen. De Europese kaart van scores naar migratieachtergrond komt van @smirkley, gebaseerd op Volume I, tabellen I.B1.2d.7 tot I.B1.2d.9; die cijfers zijn afgelezen en tegen mijn eigen bijlagecijfers getoetst, niet zelf uit de tabellen herrekend.

Verder gebruikt: de OESO-landennotitie Nederland 2025, Staat van het Onderwijs 2026, NCO 2025, CPB (tussenevaluatie basisvaardigheden, december 2025), Algemene Rekenkamer 2025, IPTO 2025, Centerdata 2024, Stichting Lezen 2025, het Ierse rapport van het Educational Research Centre, en de Nederlandse, Vlaamse, Britse en Ierse reacties van 7 tot en met 9 september 2026 — waaronder de NRC-reportage van Annemarie Kas uit Dublin, het NRC-interview met Maarten Wolbers door Nina Eshuis en Claudia Kammer, en de blogpost van Pedro De Bruyckere over de vier Britse regio's, waaruit de cijfers over de Engelse steekproefbias en de Schotse SES-gradiënt komen.

Correcties en tegenwerpingen zijn welkom. Waar ik in dit stuk een eerdere conclusie van mezelf onderuithaal — paragraaf 4 — is dat het resultaat van een expliciete falsificatietoets, en ik ga ervan uit dat er meer van die toetsen nodig zijn.